Eerlijk Oneerlijk: Het Valsspelende Brein Ontmaskerd

Zijn mensen van nature goed of slecht, eerlijk of oneerlijk? Wat gebeurt er eigenlijk in ons hoofd wanneer we besluiten eerlijk of oneerlijk te zijn? En ziet het brein van een fraudeur er wezenlijk anders uit dan dat van een eerlijk persoon? Neurowetenschappelijk werpt nieuw licht op deze vragen.
Mijn colleges en andere presentaties over (on)eerlijk gedrag begin ik altijd met de vraag: ‘Wie hier is een fraudeur? Een leugenaar? Iemand..?’. Meestal gaan er geen handen omhoog. Dit kan op twee dingen duiden. Ten eerste dat ik mijn praatjes uitsluitend voor zeer respectabel publiek geef. Dit is niet uit te sluiten maar waarschijnlijker is dat mijn publiek niet volledig eerlijk deze vraag beantwoordt.
Er is niet al te veel bekend over de psychologie van de leugenaar en de fraudeur omdat dit moeilijk te onderzoeken is: in het algemeen vindt oneerlijk gedrag niet plaats in het openbaar, wordt het gezien als sociaal onwenselijk, en dus mensen zijn mensen weinig geneigd openlijk toe te geven dat men zich hieraan schuldig maakt.
In mijn lab onderzoeken we of er iets te leren valt over oneerlijk gedrag (hieronder verstaan we fraude, valsspelen, liegen en bedrog) zonder mensen daar direct naar te vragen, door te kijken in hun hersenen. Wat gebeurt er nou in het brein wanneer mensen eerlijk of oneerlijk zijn? En ziet het brein van een fraudeur er anders uit dan dat van een eerlijk persoon?
Oneerlijk gedrag is wijdverbreid in onze maatschappij
Ondanks dat doorgaans niemand onder mijn toehoorders een oneerlijk persoon zegt te zijn, komt oneerlijk gedrag toch vrij vaak voor en heeft het ook grote maatschappelijk impact. Er zijn voorbeelden te over, uit verschillende gremia van de samenleving.
Bijvoorbeeld in de sport is valsspelen een veel voorkomend verschijnsel. Een prominent geval is natuurlijk Lance Armstrong die het voor elkaar kreeg om maar liefst zeven keer de Tour de France te winnen, maar niet zonder doping (EPO) te gebruiken. In een heel andere tak van sport haalde Hans Niemann een tijdje terug het nieuws toen hij beschuldigd werd van valsspelen door op ingenieuze wijze informatie van buiten doorgespeeld te krijgen (dit is overigens nooit bewezen).
Maar ook in het bedrijfsleven lijkt fraude nooit ver weg. Een grote zaak in de VS betreft Theranos, een startup onder leiding van Elizabeth Holmes die een techniek ontwikkeld zou hebben waarbij met slechts 1 druppel bloed verscheidene ziektes aangetoond zouden kunnen worden. Miljarden dollars aan investeringen volgden. Helaas bleek al snel dat deze techniek helemaal niet bestond. Patiënten misleid, investeerders hun geld kwijt. Holmes zit momenteel een gevangenisstraf uit van 11 jaar. Dichter bij huis hadden we wat bekend is geworden onder ‘De Zaak Schaap’. Notaris en bestuursvoorzitter Frank Oranje bij het kantoor van de landsadvocaat Pels Rijcken, bleek over een periode van enkele jaren miljoenen naar zijn privérekening hebben doorgesluisd. Frappant aan dit geval is ook dat hij bekend stond als ‘Mr. Integrity’, met zelfs publicaties in vaktijdschriften over integriteit en beroepsethiek.
Tenslotte kan ik mijn eigen professie, de wetenschap, helaas niet onbenoemd laten. In Nederland werden we alweer enige jaren geleden geconfronteerd met de frauduleuze praktijken van Diederik Stapel. Deze hoogleraar psychologie publiceerde jarenlang zeer tot de verbeelding sprekende onderzoeksresultaten totdat bleek dat er sprake was van wat al te veel verbeelding: de onderzoeken waarop zijn resultaten berustten waren helemaal nooit uitgevoerd, hij verzon ze gewoon op zijn studeerkamer. Meer recent speelt de zaak van Francesca Gino, een hoogleraar op het prestigieuze Harvard Business School. Ook zij is beschuldigd van het falsificeren van onderzoeksresultaten en ook bij haar is dit inmiddels aangetoond en ook haar titel is haar inmiddels afgenomen. In tegenstelling tot Stapel echter, heeft Gino haar fraude nooit toegegeven. Extra wrang aan deze zaak is dat haar expertise lag op het gebied van ethiek en (on)eerlijk gedrag.
De bron van het kwaad (en het goede)
Dus mensen zijn vaak niet eerlijk. Externe factoren zoals toezicht (denk aan een raad van toezicht, politiecontroles, het vier-ogen-principe, etc.) en de dreiging van straf of boetes kunnen dit enigszins in toom houden, maar evidentie dat dit goed werkt is niet sterk: strenger straffen bijvoorbeeld leidt doorgaans niet tot veel minder criminaliteit.
Maar zelfs met toezicht en hoge straffen bestaan er fraudeurs en, wellicht nog relevanter, in situaties zonder toezicht zijn veel mensen gewoon eerlijk. Hoe zit dat? In mijn onderzoek probeer ik meer inzicht te krijgen in de psychologie en het brein van de fraudeur: wat maakt mensen nu goed of slecht, eerlijk of oneerlijk?
De filosofie en ook psychologische theorieën gaan vaak uit van een soort dualistisch mensbeeld: in ons hoofd is er continu een soort interne strijd gaande tussen twee aspecten of versies van onszelf: één met primitieve en egoïstische motieven die alleen maar geeft om winst, (onmiddellijke) beloning, macht en status. En aan de andere kant een meer ontwikkelde versie van onszelf die ernaar streeft om een ‘goed’ mens te zijn: sociaal, empathisch, betrouwbaar en vooral eerlijk en rechtvaardig.
Het idee is dan meestal dat we constant in de verleiding worden gebracht om het verkeerde pad op te gaan (met andere woorden; de ‘slechte’ kant van onszelf is sterker, de mens is van nature slecht en zondig) en dat we wilskracht nodig hebben om op het rechte pad te blijven. Dus, wie over veel wilskracht beschikt blijft eerlijk, wie daar te weinig van heeft valt ten prooi zijn/haar primitieve driften en zal oneerlijk zijn.
Onderzoek naar oneerlijk gedrag
In mijn onderzoek kijk ik in het brein om te zien hoe deze ‘struggle’ tussen goed en kwaad zich ontvouwt, en ook of die processen nu anders verlopen in eerlijke en oneerlijke mensen.
Om dit te onderzoeken laten we mensen specifieke taakjes doen in de MRI-scanner, een groot apparaat waarmee we hun hersenactiviteit kunnen vastleggen. Dit is hoe neurowetenschappelijk onderzoek doorgaans in zijn werk gaat, we hebben voor allerlei psychologische processen speciale taakjes; voor geheugen, aandacht, plannen, ruimtelijk inzicht, enzovoorts. Deze taakjes laten we mensen in de scanner uitvoeren om te zien hoe het brein betrokken is bij al deze processen.
Maar als we willen testen voor oneerlijk gedrag lopen we tegen een probleem aan: in een experiment met een onderzoeker die om je heen hangt, alles vastlegt wat je doet, en zelfs in je hersenen ‘kijkt’, zijn mensen verrassend genoeg niet erg geneigd oneerlijk gedrag te vertonen. Er moet dus een taakje verzonnen worden waarbij proefpersonen op z’n minst het gevoel hebben dat ze niet bekeken worden.
Een taak die in psychologisch gedragsonderzoek veel gebruikt wordt is de zogenaamde dobbelsteen-onder-de-beker taak. Hierbij zit de proefpersoon achter een bureau, met daarop een computer en (de naam zegt het al) een dobbelsteen en een beker. De taak is simpel: schud de dobbelsteen onder de beker, kijk wat je gegooid hebt (er zit een gat boven in de beker zodat alleen de proefpersoon kan zien wat er gegooid is), en vul dit in op de computer. Van tevoren is aan de proefpersonen duidelijk gemaakt hoe de uitbetaling voor dit experiment verloopt. Dit is wederom zeer eenvoudig: als je 1 gooit ontvang je €1, als je 2 gooit ontvang je €2, bij 3 €3, enzovoorts.
Stel je voor, je bent een proefpersoon in dit experiment, je schudt, kijkt, en: je hebt een 1 gegooid… Wat vul je in op de computer? Nu is het zo dat de kans op het gooien van een 1 afgerond 16,7% is, evenals de kans op een 2, een 3, enzovoorts. Maar als je kijkt naar wat proefpersonen rapporteren zien we iets anders: er worden opmerkelijk weinig 1-en en 2-en gegooid en wel erg veel 5-en en 6-en… Proefpersonen zijn niet eerlijk, ze belazeren de boel! Althans, enkelen onder hen; het is niet zo dat er alléén maar 6-en gerapporteerd worden. Maar wie waren deze valsspelers? Dit is niet te achterhalen, aangezien we de werkelijke worp niet kunnen observeren (de dobbelsteen ligt onder de beker). En natuurlijk is het niet zo dat iedereen die een 6 rapporteert een valsspeler is: het gooien van een zes is immers even waarschijnlijk als het gooien van een 1.
Maar om het brein van een valsspeler te kunnen kijken moeten we toch echt met zekerheid kunnen weten wie er vals speelde en wie niet. Om dit probleem te omzeilen hebben mijn collega’s een nieuwe taak ontwikkeld: de zoek-de-verschillen-taak (in het Engels: de spot-the-differences task, afgekort tot SPOT). In deze taak krijgen proefpersonen twee plaatjes te zien met de opdracht om de drie verschillen tussen deze plaatjes te vinden (zie figuur 1 voor een voorbeeld). Ze krijgen zes seconden de tijd om te zoeken, waarna ze de vraag krijgen: ‘Heb je de drie verschillen gevonden, ja of nee?’. Als ze ‘ja’ kiezen krijgen ze een klein geldbedrag, als ze ‘nee’ kiezen, krijgen ze niets.
De grap bij deze taak is dat men de verschillen niet hoeft aan te wijzen. Vals spelen is dus makkelijk en niet te bewijzen (de proefleider kan niet weten of de proefpersoon de verschillen echt gevonden heeft of niet). Echter, tussen sommige plaatjes zitten helemaal geen drie verschillen; soms maar 2, soms slechts 1. Dus als bij die plaatjes een proefpersoon aangeeft de verschillen gevonden te hebben, weten we dat dat niet kan en hij dus liegt. Maar de proefpersoon weet niet dat wij dit weten en denkt ongestraft vals te kunnen spelen.
Nu krijgen proefpersonen in ons experiment veel van dit soort plaatjes te beoordelen, zo’n 150 stuks. Ondanks dat het bedrag dat ze krijgen per gevonden verschil klein is, loopt het te winnen bedrag over die 150 plaatjes behoorlijk op, tot meer dan €35, wat voor studenten (onze proefpersonen zijn meestal studenten) toch een heel aardig bedrag is. Het mooie van deze taak is dat we precies kunnen weten wanneer een proefpersoon besluit om oneerlijk te zijn. Dat is het moment waarop wij in hun brein kijken wat daar precies gaande is.

Hoe gedragen mensen zich in deze taak? In de afgelopen jaren hebben we honderden proefpersonen getest met deze taak en het patroon is altijd hetzelfde. Wat we niet zien is dat de meeste mensen deugen, maar ook niet dat de meeste mensen leugenaars en bedriegers zijn. De waarheid ligt in het midden: ja er zijn mensen die goudeerlijk zijn en er zijn ook mensen die bijna geen gelegenheid voorbij laten gaan om vals te spelen, maar de meesten bevinden zich ergens tussen deze extremen. De verdeling is vrijwel geheel vlak, dat wil zeggen dat elke mate van oneerlijkheid ongeveer even vaak voorkomt.
De ‘struggle’ in het brein
Dus wat gebeurt er nou in het brein als mensen eerlijk of oneerlijk zijn? Dit kunnen we onderzoeken door de SPOT af te nemen in de MRI-scanner. We kunnen dan activatie in het brein zichtbaar maken die optreedt precies op het moment dat mensen de keuze maken om eerlijk of oneerlijk te zijn. Wat zien we dan gebeuren?
Het is nuttig om eerst eens te kijken naar mensen die echt veel valsspelen. Wat we bij hen zien is zeer sterke activatie in het deel van het brein dat we het ‘beloningssysteem’ noemen. Dit deel van de hersenen (meer precies, het Striatum of Nucleus Accumbens; zie ook figuur 2A.) is betrokken bij, de naam zegt het al, het registeren en verwerken van aspecten van de omgeving als waardevol of belonend. Denk aan mooie auto’s, kleding, lekker eten, aantrekkelijke mensen, geld natuurlijk, maar ook macht en status. Juist dit beloningssysteem wordt actief als mensen besluiten vals te spelen: hoe sterker de activatie in dit deel van het brein, hoe meer men vals speelt. Wellicht niet heel verrassend: een belangrijke reden waarom mensen vals spelen is de winst die te behalen valt.
Maar als we vervolgens eens kijken naar mensen die juist heel eerlijk zijn, dan zien we iets heel anders in hun hersenen: activiteit in een ander netwerk in het brein, het zelf-relevantie systeem (voor de neurowetenschappelijke fijnproevers: de mediale prefrontale cortex en precuneus, zie ook figuur 2B). Dit netwerk in het brein is betrokken bij het vormen en in standhouden van een (positief) zelfbeeld en het verwerken van aspecten van de omgeving die relevant zijn voor jou als individu. Wat we zien is dat hoe sterker de activatie in dit breinnetwerk, hoe minder men geneigd is vals te spelen. Dus hoe belangrijker een positief zelfbeeld is voor iemand is, hoe eerlijker diegene zal zijn.
De rol van wilskracht
Tot dus ver komen de bevindingen goed overeen met het idee van een dualistische tweestrijd tussen de op winst en macht beluste versie van onze persoonlijkheid en de eerlijke en rechtvaardige versie. Maar het wordt interessant als we kijken naar de rol die wilskracht speelt in dit strijdperk. Wilskracht, door psychologen ook wel cognitieve controle genoemd (de mentale controle die je uitoefent op je gedrag), komt voort uit de activiteit van een specifiek netwerk in het brein (het ‘cognitieve controle netwerk’, zie figuur 2C) dat bestaat uit de medio-dorsale prefrontale cortex en de laterale prefrontale cortex. Wat we zien in het brein van onze proefpersonen is dat, hoe sterker de activatie in het cognitieve controle netwerk, hoe minder men valsspeelt. Dit sluit aan bij de heersende gedachte dat we wilskracht nodig hebben om de ‘slechte’ versie van onszelf te onderdrukken teneinde het goede te kunnen doen.
Maar, we vinden deze afname in valsspelen alleen bij individuen die uit zichzelf heel vaak valsspelen, bij relatief oneerlijke mensen dus. Als we kijken naar mensen die doorgaans juist heel eerlijk zijn zien we het omgekeerde patroon: hoe meer wilskracht zij uitoefenen, hoe oneerlijker ze worden!

Hoe verklaren we dit? We hebben gezien dat mensen zich ergens op een spectrum bevinden van heel eerlijk tot heel oneerlijk. Met andere woorden, sommigen van ons zijn van nature erg eerlijk, anderen zijn van nature zeer oneerlijk. Wilskracht, of het uitoefenen van controle over je gedrag, zorgt ervoor dat je af kan wijken van je natuurlijke intuïtieve gedrag. Dit pakt voor verschillende mensen verschillend uit. Als je van nature oneerlijk bent, kan wilskracht ervoor zorgen dat je eerlijker wordt (‘Ik heb al zo vaak gefraudeerd, dat is toch eigenlijk niet OK, laat ik eens mijn best doen om wat eerlijker zijn.’). Maar als je van nature eerlijk bent kan die cognitieve controle ervoor zorgen dat je gaat denken ‘maar wacht eens even, ik zit hier een beetje Gekke Henkie te zijn en laat al die winst aan mijn neus voorbijgaan; af en toe een klein beetje oneerlijk zijn kan toch geen kwaad…’.
Dus wilskracht trekt mensen naar het midden, weg van hun natuurlijke, intuïtieve gedrag. Het stelt ons instaat om een subjectieve optimale balans te vinden tussen de motivaties van onze twee ‘zelven’: het behalen van winst en succes, en het behouden van een positief beeld van onszelf. Het is dus niet zo dat wilskracht ons per definitie een beter en eerlijk mens maakt, het hangt er helemaal van af wat voor type mens je bent.
Fraudeurs detecteren in de MRI scanner
Maar er zijn dus grote verschillen in eerlijkheid tussen mensen; zijn die verschillen ook terug te vinden in het brein? Is het zo dat het brein van fraudeurs gewoon anders in elkaar zit dan dat van eerlijke mensen? Dit hebben we onderzocht door van een groot aantal mensen een zogenaamde ‘resting state MRI scan’ af te nemen. Hierbij meten we de intrinsieke activiteit van het brein terwijl mensen niets doen (in ‘rust’ zijn) in de MRI-scanner. Ook nemen we, meestal een aantal dagen later, de SPOT bij hen af. Wat we dan kunnen doen is hun prestaties op de SPOT (hoe (on)eerlijk zijn ze?) relateren aan hun intrinsieke hersenactiviteit: kunnen we op basis iemands hersenscan voorspellen of we te maken hebben met een fraudeur of juist een eerlijk persoon?
Uit ons onderzoek blijkt dat dit inderdaad kan: een hersenscan afgenomen wanneer men ‘niets’ aan het doen is, kan gebruikt worden om vrij accurate voorspellingen te doen omtrent de eerlijkheid van de persoon in kwestie. Interessant is ook welke hersen netwerken het meest informatief waren voor deze voorspelling; met andere woorden waar in het brein vinden we de grootse verschillen tussen eerlijke en oneerlijke mensen? Hier komen dezelfde netwerken weer om de hoek kijken: het beloningssysteem en het zelfrelevantie systeem: Bij eerlijke mensen is het beloningssysteem sterk gekoppeld aan het zelfbeeld system, maar bij oneerlijke mensen is dit veel minder het geval. Dus de sterkte van deze verbindingen kan gebruikt worden om voorspellingen te doen over de eerlijkheid van de persoon in de scanner: hoe sterker de verbindingen tussen de twee systemen in het brein, hoe eerlijker de persoon in kwestie is.
Het lijkt dus zo te zijn dat voor oneerlijke mensen winstbejag en zelfbeeld (een ‘goed’ mens zijn) tamelijk los van elkaar staan. Deze mensen zijn in staat keihard voor eigenbelang, winst en succes te gaan, zonder dat dit hun zelfbeeld aan tast. Voor eerlijke mensen is gedrag met betrekking tot winst en beloning juist wel sterk gekoppeld aan hun zelfbeeld. Voor hen is een positief zelfbeeld heel belonend.
De frauduleuze persoonlijkheid
Een opmerking die ik vraag krijg als ik over deze bevindingen vertel is zoiets als ‘ja dat is wel leuk al die verschillende activaties in het brein en zo, maar hoe zijn eerlijke en oneerlijke mensen nou echt anders, qua persoonlijkheid’. Uiteraard komen alle persoonlijkheidsverschillen voort uit het brein, maar men doelt dan op hoe eerlijke en oneerlijke mensen antwoorden op persoonlijkheidsvragenlijsten. Dit hebben we ook onderzocht. Wat we vonden is dat oneerlijkheid vooral samenhangt met impulsiviteit: hoe impulsiever, hoe oneerlijker mensen doorgaans zijn. Andere persoonlijkheidskenmerken die relateren aan hoe eerlijk men is hangen samen met antwoorden op vragenlijsten die gaan over hoe belangrijk moraliteit voor iemand is. Wat we vinden is dat de antwoorden op dit soort vragen sterk samenhangen met hoe eerlijk men is, maar op precies een tegenovergestelde manier dan verwacht: hoe sterker men aangeeft moraliteit belangrijk te vinden, hoe oneerlijker men is. Wat we hieruit concluderen is dat oneerlijke mensen ook oneerlijke antwoorden geven op persoonlijkheidsvragenlijsten.
Fraude ‘in het echt’
Een tweede vraag die ik vaak krijg is zoiets als: ‘OK maar zegt oneerlijkheid in het lab nu werkelijk iets over eerlijkheid in het echt?’. Hierbij wordt eigenlijk gevraagd naar de validiteit en generaliseerbaarheid van het meten van oneerlijk gedrag door middel van taakjes zoals de SPOT of de dobbelsteen-onder-de-beker taak. Hier is veel onderzoek naar gedaan. Het blijkt bijvoorbeeld dat per land, hoe oneerlijker men gemiddeld is op dit soort taakjes, hoe meer corruptie er in dat land plaats vindt. Veroordeelde criminelen zijn oneerlijker op dit soort taken dan niet-criminelen, maar bankiers bijvoorbeeld ook. Deze taken hangen ook samen met bijvoorbeeld zwartrijden in het openbaar vervoer, en spieken tijdens tentamens.
Is fraude te voorkomen?
Concluderend kan er gesteld worden dat (on)eerlijk gedrag inderdaad gezien kan worden als een interne strijd tussen enerzijds winst, beloning, macht en status, en anderzijds de motivatie om een ‘goed’ mens te willen zijn en een positief zelfbeeld te hebben. Maar het is dus niet zo dat het uitoefenen van wilskracht altijd een positief effect heeft: voor oneerlijke mensen pakt dat goed uit (zij worden eerlijker), maar voor eerlijke mensen juist niet (zij worden een beetje oneerlijker).
Dat is natuurlijk super interessant, maar bieden deze inzichten ons ook haakjes om interventies op te baseren? Wat kunnen bijvoorbeeld bedrijven doen om fraude onder hun werknemers te voorkomen, of in elk geval te beperken? Een natuurlijke manier om dit te benaderen zou zijn om na te denken of we kunnen ingrijpen op elk van deze processen.
Aangezien de drang naar winst en beloning een belangrijke motivatie voor oneerlijk gedrag is, zou het een idee kunnen zijn om mensen niet al te hoge beloningen in het vooruitzicht te stellen. Echter is het niet zo dat mensen die veel geld verdienen per definitie oneerlijker zijn dan mensen die minder geld verdienen. Wat wel is aangetoond is dat willekeurige of prestatie gebonden bonussen kunnen leiden tot meer fraude. Onderzoek laat ook zien dat vooral het stellen van prestatiedoelen die moeilijk te behalen zijn oneerlijk gedrag in de hand kan werken. Je kan je dit voorstellen: je krijgt een mooie bonus als jouw afdeling deze maand 100k winst maakt, echter tegen het einde van de maand zit je net onder je target, op 98K... Wat doe je in dat geval? Het blijkt dat een eenvoudig systeem waarbij de beloning lineair toeneemt per eenheid werk tot aanzienlijk minder fraude leidt dan een systeem gebaseerd op vooraf vastgestelde doelen. Het verstandig implementeren van beloningen kan eerlijkheid op de werkvloer bevorderen.
Ten tweede kunnen aanpassingen van de omgeving die bevorderen dat het zelfbeeld van werknemers actief aangesproken wordt eveneens bijdragen aan eerlijker gedrag. Een bekend experiment laat zien dat, wanneer er bij het koffieapparaat op de werkvloer een spiegel opgehangen werd, er eerlijker betaald werd voor de koffie. Bovendien kan het vergroten van de focus op het zelfbeeld via mindfulness eveneens leiden tot meer eerlijkheid. Cues in de omgeving die mensen herinneren aan hun zelfbeeld kunnen dus helpen om oneerlijk gedrag te beperken.
Maar de meeste winst in termen van het inperken van oneerlijk gedrag is waarschijnlijk te behalen door veranderingen in de bedrijfscultuur. Als deze cultuur positief is, niet gericht op geld en status en macht, maar op samenwerken, veiligheid en ethiek, dan hangt een positief zelfbeeld (en iemands status in de organisatie) minder af van beloning maar meer van iemands integriteit. In een dergelijke cultuur is fraude compleet zinloos.
De eerlijke conclusie
Samenvattend kunnen we stellen dat valsspelen, fraude en leugens fenomenen zijn die relatief vaak voorkomen. Maar niet iedereen is een fraudeur, veel mensen zijn gewoon eerlijk, ook zonder de dreiging van straffen of boetes. Deze verschillen tussen mensen hangen samen met een tweestrijd in ons brein, tussen het beloningsnetwerk en het zelfbeeld netwerk. Bij eerlijke mensen wordt deze strijd meestal gewonnen door de motivatie een positief zelfbeeld te behouden. Bij fraudeurs wordt deze strijd gewonnen door de motivatie voor winst, status en beloning. Dit komt doordat bij deze mensen een positief zelfbeeld tamelijk losgekoppeld is van het gaan voor winst. Specifiek voor oneerlijke mensen kan wilskracht hen op het rechte pad houden. Maar let op, wilskracht kan eerlijke mensen juist van het rechte pad afduwen!
De in deze tekst beschreven onderzoeken zijn hier terug te lezen:
- Speer, S. P. H., Smidts, A. & Boksem, M. A. S. Cognitive control and dishonesty. Trends Cogn Sci 26, 796–808 (2022). https://doi.org/10.1016/j.tics.2022.06.005
- Speer, S. P. H., Smidts, A. & Boksem, M. A. S. Individual differences in (dis)honesty are represented in the brain’s functional connectivity at rest. Neuroimage 246, 118761 (2022). https://doi.org/10.1016/j.neuroimage.2021.118761
- Speer, S. P. H., Smidts, A. & Boksem, M. A. S. Cognitive control increases honesty in cheaters but cheating in those who are honest. Proc National Acad Sci 117, 202003480 (2020). https://doi.org/10.1073/pnas.2003480117